Verstrekte leningen worden gezien als een ongebruikelijke terbeschikkingstelling |
April 2010 |
Een inmiddels overleden man en zijn
echtgenote hebben in 2001 leningen verstrekt van in totaal fl. 200.000 aan een
vof waarvan hun zoon met een derde vennoot is. In 2003 is de vof ontbonden en is
de onderneming door de zoon voortgezet als eenmanszaak. Erflater en zijn
echtgenote hebben de zoon en diens echtgenote vervolgens in 2003 een lening
verstrekt van 50.000 euro. Erflater en zijn echtgenote hebben de leningen
gefinancierd door hun eigen woning (verder) te bezwaren met hypothecaire
leningen. In 2006 heeft de zoon de onderneming beëindigd, waarop de zoon is
toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
In geschil is of de door erflater en
zijn echtgenote in 2001 en 2003 verstrekte leningen moeten worden aangemerkt als
in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstellingen.
In dat geval is het verlies op de
lening bij de ouders aftrekbaar
Gezien het feit dat de lening in
2001 niet alleen aan de zoon is vertrekt maar ook aan een derde, terwijl de
ouders daar hun hypotheek voor hebben opgehoogd (terwijl er juist belang is om
een huis onbezwaard te laten), acht de rechter de verstrekking in 2001
ongebruikelijk.
Het verlies is derhalve aftrekbaar.
De lening in 2003 aan de eenmanszaak werd een prive-lening geacht die niet
aftrekbaar was.
|